Lia van Opheusden

Nieuwsbrief

Verblijf bij Tibetaanse vluchtelingen in Nyoma-Changtang

TIBETAANSE VLUCHTELINGEN

In 1959/1960 vluchtten er veel Tibetanen uit Tibet weg naar India. Een deel van hen waren nomaden die leefden op het immens grote tibetaanse plateau, genaamd Changtang. De chinese regering had in die periode dit immense gebied al grotendeels onder controle. Tibetanen vertellen dat de nomaden en hun leiders die zich hiertegen verzetten, gevangen werden genomen, gemarteld en vermoord. Veel nomadenfamilies sloegen op de vlucht naar het aangrenzende Ladakh. Het nomadengebied Changtang loopt door tot in oost-Ladakh. Tibetanen met nog enige bezittingen en wat vee vestigden zich daar. De meesten echter hadden bezit en vee tijdens de reis in de extreme winters verloren en trokken verder Ladakh in tot aan de hoofdstad Leh.

In die regio ontstond het tibetaans dorp Choglamsar, met eromheen de meeste tibetaanse vluchtelingenkampen die tot op heden bestaan. Hun leefomstandigheden in de eerste jaren waren ronduit slecht qua behuizing, voorzieningen en mogelijkheden om te werken. Veel tibetanen, mannen en vrouwen, werkten in de eerste periode bij de aanleg van wegen, zwaar handwerk: stenen kappen en sjouwen, asfalt stoken langs de weg. Het verdiende weinig. Later deden veel tibetanen het sjouwwerk bij de bouw van huizen. Nu zijn het vooral de indiërs die worden ingeschakeld als goedkope arbeidskrachten. De situatie verbeterde langzaam, de kampen kregen een permanent karakter door huizenbouw en werk was er vooral in de informele sector. Mannen werden chauffeur of gids in de toeristenindustrie, mannen en vrouwen hebben soms een winkeltje. Vrouwen doen schoonmaakwerk bij het leger, verkopen sieraden en souvenirs in de hoofdstad. Nog steeds is het leven in de kampen zwaar. De vluchtelingenkampen liggen in de droogste gebieden. Nog steeds beschikken tibetanen over heel weinig water, het water wordt per tankauto dagelijks gebracht en dragen tibetanen in jerrycans de dagelijkse hoeveelheid water naar hun huizen.

Tijdens mijn reizen door Ladakh sliep ik in Homestays bij mensen thuis of in een tent. Ik trok meestal rond in jeeps, met tibetaanse chauffeurs en gidsen, die woonden in de tibetaanse vluchtelingenkampen bij Choglamsar. Ik bezocht hun families en zo onstond een relatie die het mogelijk maakte om samen met hen in het nomadengebied Changtang twee semi nomadendorpen te bezoeken, Sumdo en Nyoma, alwaar zij mensen kenden. Bijzonder was dat Nyoma in een gebied lag wat door de overheid net die maand was opengesteld voor buitenlanders.

Opvallend was dat beide dorpen uit twee gedeelten bestonden, een ladakhi en een tibetaans dorp en dat er nauwelijks sprake was van integratie. De ladakhi dorpen die er van oorsprong al waren lagen of stroomopwaarts of aan de meest waterrijke zijstroom van de Indus. Ze waren welvarend in vergelijking met de tibetaanse “twin”dorpen. Tibetaans Nyoma had een groot gebrek aan water omdat er door hun droge ligging veel minder water bij hen door de velden liep, zeker nu in heel Ladakh de winter langer had geduurd en er onvoldoende ijs gesmolten was, om het water in de riviertjes op peil te houden. De velden lagen er dor bij, de oogst zou minimaal zijn. Toch was er een vreedzame sfeer, men zette zich totaal niet af tegen de ladakhi. De boeddhistische cultuur van verdraagzaamheid doet zich nog steeds zich gelden. De bewoners waren erg blij dat een kleine nederlandse ontwikkelingsorganisatie PrânaPlanet er die zomer nog een grondwaterpomp zou aanleggen.

Tibetaanse vluchtelingen zijn de Ladakhi doorgaans erg dankbaar voor de mogelijkheid om vreedzaam in Ladakh te kunnen wonen, dat ze zonder vrees voor onderdrukking en repressie boeddhistisch kunnen zijn. Het feit dat beide bevolkingsgroepen boeddhistisch zorgt voor een goede band tussen de bevolkingsgroepen. Tegelijkertijd leeft men nog steeds erg op zichzelf, worden tibetanen vaak achtergesteld, o.a. in het vinden van werk. Tibetanen zijn minder bezig met de slechte voorwaarden in hun huidige leven dan westerlingen dat zouden zijn. Ze zijn van oorsprong minder materialistisch, door het boeddhisme en het besef van reïncarnatie. Ze zijn wel sterk gericht op het handhaven van hun tibetaanse boeddhistische cultuur, mede als gevolg van de onderdrukkende situatie in Tibet. Ze hebben eigen scholen waar een sterke cultuuroverdracht plaatsvindt, die er lang voor zorgde dat de tibetaanse identiteit voort kon leven. Ze zijn als gemeenschap nauw gelieerd aan de regering in ballingschap van H.H. de dalai lama, gevestigd in Dharamsala.

Er is goed onderwijs voor de kinderen met aandacht voor behoud van de tibetaanse cultuur. Enkele jaren in het eigen dorp, daarna op een school in de regio waar kinderen verblijven in “hostels”. Vervolgonderwijs in India, waar tibetaanse gemeenschappen beschikken over voortgezet en universitair onderwijs. Net als bij de ladakhi gaan jongeren dus op vrij jonge leeftijd voor langere tijd weg van huis, maar anders dan bij hen komen ze in een tibetaanse gemeenschap terecht met een sterk eigen cultuur en identiteit. Opgeleide tibetanen hebben vanwege hun vluchtelingenstatus, die ze zelf verkiezen om te houden i.v.m. een mogelijke terugkeer naar Tibet, geen kans op overheidsbanen. Ook hier is de exodus van jongeren met een opleiding geen werk kunnen vinden aan de orde. Tibetanen wonen en werken inmiddels over de hele wereld, zij zijn de nieuwe “nomaden”.

En ook bij Tibetanen is er sprake van vervreemding van hun families doordat ze van jongs af aan lange tijd weg van hun familie. Hoe groot en pijnlijk de vervreemding kan zijn zag ik in de dorpjes Nyoma en Sumdo. De tibetanen leven nog semi nomadisch. In de zomer trekken bepaalde families met het vee van het dorp, yaks en schapen, naar de hoger gelegen gebieden om ze te laten grazen. Ze leven er in tenten, trekken rond en komen voor de winter weer naar het dorp. Dorpsbewoners wisselen elkaar af en helpen elkaar. Zo worden nog steeds de yak en geiten ‘vlaaien” verzameld en door dorpsbewoners naar beneden gebracht als brandstof voor de winter.

Ik was toevallig tijdens de zomervakantie van de jongeren, die in India studeerden of werkten, in Nyoma en Sumdo. Ik zag broers die er volledig anders uitzagen alsof ze uit een andere wereld kwamen. De een nomade, soms nog in traditionele kleding en haardracht: ;ange haren in vlecht of opgebonden met rode draden er doorheen gevlochten. Wonend bij zijn ouders in de traditionele omstandigheden: samen leven, eten en slapen in een of twee kleine ruimtes in een klein huisje. De ander in spijkerbroek, schoenen, jack en mobieltjes. Moderne korte haardracht, zonnebril en soms een moderne, goedgeklede vrouw met kind completeerde het geheel. De traditionele oudere broer had in de meeste gevallen door hard te werken mede voor het geld voor de opleiding gezorgd van de jongere broer, terwijl daardoor hun levens- omstandigheden en perspectieven enorm verschillend waren geworden. Zo was een jongere broer van een nomade accountant bij een ziekenhuis in India en woonde met zijn gezin in een mooi huis op het terrein van het ziekenhuis.

Ik sprak met deze studerende of werkende jongens, een van en was mijn tolk, en ze waren stuk voor stuk erg begaan met de situatie van hun familie. Als ze werkten zorgden ze mee voor de gezinsinkomen. Ze hadden nog veel respect voor de manier van leven van hun ouders, maar waren er wel volkomen los van geraakt. De jongens die door heel India studeerden voelden zich schuldig dat ze van het weinige gezinsinkomen van hun familie een deel kregen om te studeren en waren in India hard op zoek naar baantjes om geld bij te verdienen tijdens hun studie, wat meestal een groot probleem was. Ze vertelden ook dat in hun dorp de meeste meisjes nog steeds niet mochten gaan studeren, die werden van school gehaald en hielpen de ouders met het huishouden, het zware werk op de kleine landjes van het dorp en boven in de bergen met het hoeden van het vee. Naarmate er meer jongens vertrokken uit het dorp om te studeren, bleven er meer meisjes over. De generatiekloof was vaak totaal niet meer te overbruggen.

Mijn tolk vertelde van conflicten tussen hen en zijn vader: die veroordeelde zijn manier van kleden en leven. Het was duidelijk dat ouders hun kinderen nauwelijks meer herkenden in hun opvattingen en levensstijl. Ze hetkenden leven buiten het dorp maar nauwelijks, behalve een spaarzaam bezoek per bus aan de hoofdstad Leh. Jongeren vertelden me dat ze wisten dat ze later nooit meer terug zouden komen, terwijl ze hun familie moesten achterlaten in leefomstandigheden die ronduit slecht waren. Mijn tolk Tenzin Chemey zei bij het afscheid: “Ik wilde dat ik genoeg geld had. Voor genoeg goede waterpompen, om aan mijn familie te geven om van rond te komen, voor de school voor mijn zusje, voor de kinderen van mijn dorp voor een speeltuin. Ze hangen in groepjes alleen rond op straat, er is hier niets te doen. Ik vond dat vroeger vreselijk, ik verveelde me vaak. Ik zal altijd op bezoek komen en als ik werk heb doen wat ik kan, maar ik ben toch blij dat ik weg heb gekund uit dit dorp”.